Categorie archief: Hoeflanding

Hoeflanding

Als je goed kijkt naar hoe een paard beweegt en hoe zijn hoeflanding is kan je zien of het paard makkelijk de hoeven afrolt of dat het wat moeizamer gaat als normaal. Om nauwkeurig te kunnen bepalen waar het juiste afrolpunt in de hoef moet zitten meet ik volgens uitgebreide ELPO richtlijnen de hoef uit. Zo meet ik waar het breedste gedeelte van de hoef zit, kan ik nauwkeurig bepalen waar zich in de hoef het hoefbeen zich bevindt. Met deze meting bepalen we waar de hoef te lange tenen of hielen heeft en zien we waar er andere delen van de hoef zoals straal steunsels eventueel afwijkingen laten zien.

Afrolpunt wat niet op de juiste plaats zit of is aangebracht veroorzaakt problemen. Paarden met te korte tenen vallen over hun eigen benen en struikelen. Het geeft ook veel pijn omdat er meer druk op het hoefbeen komt.   Als je paard te lange tenen heeft dan duurt het afrollen veel te lang en zie je ook vaak dat ze teenlanding hebben. Hierdoor komt er veel te veel druk op de gewrichten , pezen en ligamenten. Ook komen de achterbenen in de weg te zitten als het voorbeen te laat de grond verlaat, dit wordt ook wel “vangen” genoemd.

Als je kijkt naar de stand van de botten tijdens het moment van gewicht dragen bij het neerzetten van de hoef, waar de ene hoef licht op de hiel landt en de andere hoef op de toon, kun je beter begrijpen hoeveel invloed iedere situatie heeft op het op één lijn houden van de beenderen.

Heelfirts-Toefirst

Linkerplaatje laat een paard zien dat, zoals moeder natuur het bedoeld heeft , eerst met de hiel op de grond  land. Je ziet een perfecte lijn  van de beenderen bij het eerste contact met de grond. Er ontstaat een prima ondersteuning bij het hoefgewricht (hoefbeen,straalbeen en kroonbeen) door het straalkussen en hoefkraakbeen. Het paard kan de hoef nu beter afrollen en dit voorkomt struikelen. De straal maakt met hiellanding ook goed contact met de grond waardoor er goede doorbloeding in de hoef ontstaat.

Rechterplaatje laat een hoef zien die met de toon landt en dus zeer waarschijnlijk ondersteuning mist bij het hoefgewricht. Bij een teenlanding staan de botten niet in één lijn omdat het been niet volledig heeft kunnen strekken.  Als de toon neerkomt hebben het kroonbeen en straalbeen de neiging naar achteren te bewegen. Hierdoor ontstaat meer druk op het straalbeen,wat vervolgens weer zorgt voor meer druk op de diepe buigpees,ophangbanden en sesambanden. Als deze manier van bewegen lange tijd zo doorgaat kan je je voorstellen dat er beschadiging ontstaat van de ophangbanden straalbeentje ,diepe buigpees en uiteindelijk straalbeen zelf.