Hoefmechanisme

Om een beter beeld te krijgen van de biomechanica en functioneren van de hoef ,is het belangrijk om wat concepten te noemen waar al lang over gediscussieerd wordt. Er zijn namelijk verschillende theorieën waar en hoeveel flexibiliteit de hoef heeft. Meest aangenomen theorie is dat er achter in de hoefwand achter het breedste gedeelte in de hoef flexibiliteit zit tijdens neerzetten en gewicht dragen van de hoef. Over hoeveelheid en richting wordt nog gediscussieerd. Sommigen zeggen dat verzenen op het grondoppervlak naar buiten buigen tijdens elke pas en anderen zeggen naar binnen. Eigenlijk zijn beide opties mechanisch gezien mogelijk afhankelijk van of de straal gezond genoeg is en de grond raakt of niet. Indien de verzenen niet te hoog zijn en de straal de grond raakt zullen de verzenen bij elke pas tijdens gewicht dragen iets naar buiten buigen. Als de verzenen te hoog zijn en straal de grond niet raakt dan zullen de verzenen naar binnen buigen. dit komt door de natuurlijke neiging van de verzenen om naar binnen toe te groeien als ze langer worden( zeker als er niet genoeg straal is om de leegte op te vullen). Natural Balance gaat ervan uit dat het naar buiten buigen van de verzenen functioneler is. Gebaseerd op onderzoek en observaties gaan wij ervan uit dat als de hoef en vooral de straal gezond is de meeste beweging naar buiten plaats vindt bij de haarlijn (kroonrand) . De hoefkraakbeenderen spelen een belangrijke rol in het hoefmechanisme. Ze werken als een flexibel bouwwerk om het hoefgewricht heen. Als iets het hoefkraakbeen beïnvloedt heeft dat ook effect op bijna alles om het hoefgewricht. Onderstaand zie je twee illustraties waarbij de afbeeldingen bij A een mechanisme laten zien bij een hoef die licht op de hiel landt, waarbij de verzenen niet veel hoger zijn dan de zool en de straal de grond als eerste raakt. De afbeelding die bij B staan laten een mechanisme zien waarbij de hoef licht op de toon landt. Waarschijnlijk heeft dit paard te hoge verzenen waardoor de straal de grond niet raakt en daardoor verschrompelt de straal. Hierdoor  verliest de straal zijn zeer belangrijke functies waarvoor die bedoeld is.

A hiellanding B toonlanding

A hiellanding
B toonlanding

 

A   Als de hoef de grond raakt maakt de straal als eerste contact met de grond gevolgd door de verzenen. Omdat de straal stevigheid bezit vervormt die opwaarts  het straalkussen . Het straalkussen drukt als een soort ballon de hoefkraakbeenderen naar boven en naar buiten. Door aanhechtingspunten van hoefkraakbeen aan het hoefbeen en kroonbeen, zorgt voor zeer lichte opwaartse beweging en het op zijn plaats houden hiervan.  De haarlijn breid zich op dat moment uit en geeft zo ruimte voor opwaartse beweging van de hoefkraakbeenderen. Straalbeentje wordt optimaal ondersteund door het zachte weefsel en wordt zo op een goede lijn gehouden voor juiste ondersteuning van dynamische gewicht van bovenaf.

Als bij een lichte toonlanding de verzenen naar de grond reiken en het gewicht in de hoef naar beneden drukt dan  zullen de hoefkraakbeenderen naar binnen klappen en de straal zakt omdat er geen tegendruk is van de grond. Al het zachte weefsel wordt naar beneden en naar achteren gedrukt waardoor het straalbeentje en het hele hoefgewricht niet meer ondersteund zijn. Op hetzelfde moment is er inwaartse beweging van de verzenen. Door neerwaartse kracht zal het kroonbeen neiging hebben naar achteren kantelen net als het straalbeen. Hierdoor komt er op de ophangbanden van het straalbeentje en sesambanden en de diepe buigpees enorm veel krachten wat op den duur voor beschadigingen en blessures kan leiden. Ook kan er pijn in en rond de verzenen ontstaan door de inwaartse druk op het levende weefsel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *